|
| De natuurlijke goedheid van de mens staat een mild gezag toe - dit is de basis voor de progressieve politieke ideeën van o.a. de SAM-partij |
Volgens Hobbes is de natuurmens strikt egoïstisch en medogenloos. Bij het tekortschieten van de natuurlijke hulpbronnen ontstaat een 'oorlog van allen tegen allen', die alleen beëindigd kan worden door een overheid in te stellen. De overheid dient volgens Hobbes dan ook te voorzien in regelingen om het egoïsme en de genadeloosheid te beteugelen.
| Een natuurlijke zondigheid van de mens zou een restrictief gezag vereisen - dit is de basis voor het conservatisme, zoals men die vindt in o.a. Christelijke partijen. |
De mens (nadat hij akkerbouwer is geworden) ziet zich geplaatst voor het probleem om een vorm van samengaan te vinden die, met de hele collectieve macht, lijf en goed van elke deelnemer beschermt en waarin ieder, ondanks verenigd te zijn met allen, alleen zichzelf hoeft te gehoorzamen en vrij te blijven als voorheen. Volgens Rousseau kan dit in de vorm van een contract dat in zijn essentie tot de volgende bepalingen worden teruggebracht:
Op deze wijze wordt dus een overheid in het leven geroepen met een collectief lichaam dat uit evenveel leden is samengesteld als er instemmers zijn, terwijl deze overheid aan deze daad zijn eenheid, gemeenschappelijke identiteit, voortbestaan en wil ontleent.
| Wij zien hier dat gemeenschappelijke identiteit een onmiddellijk, logisch gevolg is van het maatschappelijke contract en zeker niet neerbuigend kan worden opgevat als een groepsillusie. |
Slechts als de inbreng van elke deelnemer totaal en zonder voorbehoud is, wordt de eenheid een feit. Als deelnemers bepaalde rechten zouden voorbehouden, dan zou er geen gemeenschappelijke overheid zijn om tussen hun belangen en de gemeenschappelijke zaak te beslissen. Aangezien ieder, door zichzelf aan allen te geven, zichzelf aan niemand geeft; bovendien geen enkele deelnemer meer rechten over hem krijgt, dan hij over anderen; krijgt hij iets gelijkwaardigs terug voor wat hij inbracht met daar bovenop een toename van de mogelijkheden om te beschermen wat hij bezit.
Allereerst moet het verschil worden uitgelegd tussen bezit en eigendom. Als je iets opraapt in de natuur, bijvoorbeeld een schelp op het strand, dan is dat van jou, ook al was die tevoren niet jouw eigendom. Maar als je in de stad een fiets pakt, die niet jouw eigendom is, dan wordt die daarmee niet van jou, maar blijft van een ander. Als de politie jou betrapt dan ben je in in het bezit van een fiets die niet jouw eigendom is.
In eerste instantie werd alle bezit ingebracht in het collectief, om vervolgens als eigendom weer terug te belanden bij de inbrengers. Eigendom hoef je in principe niet zelf te verdedigen, dat doet het collectief voor jou. Op deze wijze wordt het 'recht van de sterkste' opgeheven en kunnen ook de lichamelijk zwakkeren, zoals bejaarden, in alle rust van hun eigendom profiteren.
Met name bij grond blijft echter de wezenlijke gemeenschappelijkheid bestaan. Als het collectief grond nodig heeft voor een weg of een verdedigingswal, dan kan de grond worden herbestemd van privaat eigendom naar collectief eigendom. Ook waren er tot in de 19e eeuw situaties waarin een dorp gemeenschappelijk grond bewerkte.
Rousseau noemt de volgende voorwaarden voor het erkennen van eigendom van
grond die in het collectief wordt ingebracht::
1. Er zijn geen aanspraken van anderen
2. Er wordt alleen zoveel grond geclaimd als nodig voor de eigen behoefte
3. De eigendom moet blijken uit het daadwerkelijk gebruik van de grond.
| De SAMpartij meent dat deze criteria opnieuw moeten worden ingevoerd om grond toe te wijzen aan burgers die er daadwerkelijk gebruik van maken. | |
| Verder zijn wij van mening dat de aanspraak van staten op lege gebieden (zeeën, meren, ijskappen, toendra's, woestijnen, oerwouden, enz.) illegitiem zijn omdat deze aanspraken niet voldoen aan bovenstaande drie punten. Dergelijke gebieden behoren toe aan de mensheid als geheel, en zouden beheerd moeten worden door een wereldregering. |
Dit is het allersterkste argument dat een nationalist zich kan denken. Een
wereldregering of een federatie, een groot rijk, een dictator, een heilig boek,
een 'onfeilbare' ideologie, een stel ambtenaren, een partij, of wat voor
instelling dan ook, kan nooit of te nimmer claimen datgene te doen wat het volk
wil.
Het argument is eenvoudig: omdat de volkswil een collectief bestaan heeft, kan
zij uitsluitend door zichzelf vertegenwoordigd worden.
| Alleen een regering die de volkswil uitvoert, kan legitiem zijn. Dat maakt de soevereine democratische rechtsstaat tot de enig mogelijke legitieme bestuursvorm van een volk. Deze laatste conclusie wordt getrokken door de SAMpartij, aangezien wij geloven dat wil, macht en intelligentie gekoppeld dienen te zijn om zinvol handelen mogelijk te maken. |
Volgens Rousseau echter, kan de collectieve macht wel worden overgedragen. Dit opent de mogelijkheid van federaties, grote rijken en alle mogelijke regeringsvormen. Volgens Rousseau gaat het er alleen maar om dat de wet die geldt voor een volk in overeenstemming is met de volkswil en dat de machthebbers zich onderwerpen aan de wet. Een staatshoofd kan dus nooit boven de wet staan, maar kan in uitzonderlijke situaties wel als dictator functioneren en legitiem zijn.
Als iemand wil bedenken waarom een multiculturele samenleving een
onmogelijkheid is, zou ik ze naar deze vaststelling door Rousseau verwijzen.
Het argument is wederom eenvoudig: de collectieve wil is van het collectief als
geheel, zo niet, dan is zij slechts de wil van een gedeelte van dat collectief
en daarmee dus geen collectieve wil. Alleen de wil van het volk als geheel is de
Volkswil.
Wij moeten dit niet verwarren met unanimiteit, waar het om gaat is: loyaliteit.
Wij stellen vast, dat een bevolkingsgroep die dingen anders wil, eigen regels wil toepassen, zich buiten de Volkswil plaatst en daarmee ophoudt een bevolkingsgroep te zijn en zichzelf tot een ander, vreemd, volk maakt, dat op ons grondgebied woont. Wij tekenen aan, dat de betreffende regels dan wel tot de bevoegdheid van het volk moeten behoren en niet bijvoorbeeld inbreuk moeten maken op mensenrechten. Zie ook: 'de volksmacht is beperkt' en 'godsdienst - dubbel burgerschap'
Het argument hiervoor is dat wij steeds het goede voor onszelf willen, zodat ons collectief ook steeds het goede voor zichzelf wil. Maar zoals wij individueel misleid kunnen worden over wat zaken ons zullen opleveren, zo kan onze collectieve wil ook misleid worden.
| Dit probleem speelt heden ten dage met de machtige propaganda mogelijkheden via de media des te sterker. Het is dus zaak dat het volk de beschikking heeft over eerlijke en volledige informatie. | |
| De SAM-partij is om deze reden voorstander van het publieke bestel, zoals dat in Nederland is opgezet. Hierbij moet toezicht worden gehouden op het journalistieke uitgangspunt van 'hoor en wederhoor' en de scheiding van feitelijkheden en meningen van journalisten. |
| Ook partijstandpunten kunnen de politiek gaan overheersen, waardoor ten onrechte wordt gehandeld alsof deze standpunten de Volkswil zouden vertegenwoordigen. Dit is een krachtig argument voor het referendum; om de volkswil vast te stellen is het erg belangrijk dat elke burger slechts zijn eigen mening geeft en dat alle burgers meedoen. |
Hoewel het aan de volkswil is om uit te maken wat de plichten zijn van de onderdanen, kan zij zich slechts bepalen tot zaken zie voor de gemeenschap van belang zijn. Argument: er dient niets te gebeuren zonder reden.
De volkswil betreft uitsluitend een algemeen belang. Zodra een beslissing een deelbelang betreft, moet men stellen dat er een partijbelang speelt. De volksmacht is dus beperkt omdat de volkswil algemeen is.
Strikt genomen is een uiting van de volkswil
1. legitiem, want gebaseerd op het maatschappelijke contract;
2. onpartijdig, want algemeen voor allen;
3. nuttig, want het kan geen ander oogmerk hebben dan algemeen welzijn;
4. stabiel, want gegarandeerd door de volksmacht.
Wanneer dit zo is, is gehoorzamen aan de volkswil gelijk aan gehoorzamen aan de
eigen wil.
Wij zien ook dat de volkswil, ook al is deze absoluut, heilig en onaantastbaar, niet de algemeenheid te buiten kan gaan, zodat de onderdanen naar eigen inzicht kunnen beschikken over alle goederen en vrijheden waar de volkswil niet in kan treden. Tevens heeft de volkswil nooit het recht om meer van de ene onderdaan te eisen dan van de andere, want in dat laatste geval prevaleert een deelbelang.
Het maatschappelijk samengaan onder het maatschappelijke contract roept een bestuursorgaan in leven, dat door middel van wetgeving wil en macht moet krijgen. Want zonder wetten is niet bepaald wat het moet doen.
Hoewel er natuurrecht is, zou zonder overheid de goedzak slachtoffer zijn van de slechterik. Gewoontes en wetten zijn nodig om rechten te koppelen aan plichten en rechtspraak te laten functioneren. Een wet is een geformuleerd besluit van de volkswil, zodat het de volkswil vertegenwoordigt voor de bestuurders.
Als een wet op deze wijze tot stand komt, is het niet meer nodig om te
twisten over:
- wiens taak het is om wetten vast te stellen, dat is de volkswil;
- of een staatshoofd boven de wet kan staan, dat kan hij niet;
- of de wet onrechtvaardig kan zijn, men kan niet onrechtvaardig zijn voor
zichzelf;
- of wij tegelijk vrij kunnen zijn en onderworpen aan de wet, nee want de wet is
het register van onze eigen wil.
Het onderwerp waarop de wet betrekking heeft, dient algemeen te zijn en de
regels moeten abstract zijn, want anders kan de wet niet beschouwd worden als
een uiting zijn van de volkswil. Een specifieke daad kan niet in de wet worden
opgenomen. Volgens deze regel kan de wet
- wel privileges voorschrijven, maar niet iemand noemen waar ze aan worden
toegewezen.
- verschillende klassen van burgers onderscheiden, zelfs voorwaarden voor de
toetreding tot zulke klassen formuleren, maar niet mensen of families noemen die
er toe behoren.
- een monarchie instellen en erfopvolging regelen, maar niet een koning benoemen
of een koninklijke familie aanwijzen.
| Wij zien hier dat een meritocratisch stelsel zoals de SAM-partij voorstaat, legitiem kan zijn. |
Specifieke daden, als boven bedoeld, zijn bestuursdaden. Bestuursdaden moeten herroepen kunnen worden, al naar de situatie vereist, terwijl ze in overeenstemming moeten zijn met de wet.
| De SAM-partij stelt voor om een bestuursdaad een 'decreet' te noemen, zodat deze helder onderscheiden wordt van een 'wet'. Zo is het vaststellen van de begroting door het parlement geen wet maar een decreet. |
Het volk zou de auteur van de eigen wetten moeten zijn, maar het is helaas slechts half bewust van wat goed voor haar is. Rousseau meent daarom dat deskundigen de wetstekst moeten opstellen, liefst zelfs lieden die niet tot het volk behoren. Ze moeten daarbij met de specifieke problemen en het karakter van dat volk rekening houden. De autoriteit van zo'n wetgever zou zo ongeveer goddelijk moeten zijn: in staat om te beperken zonder geweld en voor een idee te winnen zonder te overtuigen.
| De SAM-partij meent dat het parlementaire systeem, aangevuld met een college van rechtsgeleerden en aangevuld met referenda, een aanvaardbare manier oplevert om tot een wetstekst te komen. |
Rousseau stelt dat er normen moeten zijn, waarbinnen een natie optimaal geconstitueerd is; niet te groot voor goed bestuur en niet te klein voor zelfvoorzienendheid. Elk bestuursorgaan heeft een optimale grootte, waarboven de effectiviteit afneemt. In het algemeen is een klein land in verhouding tot zijn grootte sterker dan een groot land.
| Wij stellen vast, dat deze constatering van Rousseau nooit besproken wordt door denkers uit grote landen. De SAM-partij maakt hiervan echter een kernpunt van haar ideologie. Een effectief wereldbestuur (waar R. het niet over heeft, maar wij leven ruim twee eeuwen later) moet gebaseerd worden op krachtige naties, dus naties van een optimale grootte. Federaties en grote rijken kunnen volgens ons het beste worden opgesplitst. Zo is er volgens ons geen principieel bezwaar tegen bijvoorbeeld de herverdeling van het voormalige Joegoslavië over de daarin tot elkaar veroordeelde volkeren. Wij zien wel een principieel bezwaar in de situatie dat een volk een ander volk overheerst. |
De oorzaken van de relatieve zwakte van een groot rijk zijn:
- grote afstanden maken het besturen moeilijker. Dit leidt tot een stapeling van
bestuursorganen, die elkaars werk herhalen. Elke bestuurslaag kost geld, zodat
de belastingdruk in een groot land hoger ligt dat in een klein land, terwijl
tegelijk de regering slechter functioneert.
| Ook tegenwoordig kunnen wij dit duidelijk zien, aan bijvoorbeeld de Luxemburgers die aanzienlijk minder belasting hoeven te betalen dan de Fransen of de Nederlanders, terwijl hun regering veel beter voor ze zorgt. |
- de bevolking heeft minder respect voor de bestuurders, die het niet kent of
ziet.
- dezelfde wetten kunnen niet geschikt zijn voor elke provincie, waar soms een
ander klimaat heerst en soms zelfs andere zeden en gewoonten.
- verschillende wetten zouden leiden tot verwarring onder volkeren, die leven
onder een gemeenschappelijk bestuur, daardoor voortdurend in onderlinge
uitwisseling staan, onderlinge huwelijken aangaan en, geconfronteerd met andere
gewoonten, niet meer weten hoe zij het land hun eigen land zouden moeten noemen
- talent blijft verborgen, deugden onbekend en ondeugden onbestraft in een
menigte van lieden die elkaar niet kennen en die het centrale bestuur moeten
regelen
- De bestuurders kunnen, door de overweldigende omvang, de problemen niet
overzien, zodat het land in feite bestuurd wordt door ambtenaren.
- Tenslotte zullen decreten zich concentreren in het tot de orde roepen van
verre bestuurders, zodat er weinig energie overblijft voor het geluk van het
volk.
| Een mooier pleidooi tegen grote rijken en federaties kan de SAM-partij zich nauwelijks wensen. Het is erg prettig dat hiervoor naar de grote Rousseau verwezen kan worden. | |
| Een punt dat Rousseau hier mist, is volgens ons dat het bestuur van een samenraapsel van volkeren hooguit de wil van een overheersend volk kan vertegenwoordigen (en soms zelfs dat niet), zodat het bestuur over de onderworpen volkeren illegitiem is. Zeker na de vrijheidsstrijd in de vele kolonieën kan dit argument niet weggelaten worden. |
Er moet een optimale verhouding bestaan. Deze is echter afhankelijk van de lokale omstandigheden. Het land kan meer of minder vruchtbaar zijn, het klimaat kan meer of minder gunstig zijn, het is moeilijker of makkelijker te verdedigen,
| De SAM-partij meent dat het actuele gebruik van het territorium de maat is voor de behoefte van een volk. Een volk kan geen legitieme aanspraken maken op territorium dat het niet nodig heeft voor wonen, werken en recreëren, zodat als een zekere economische zone wordt toegewezen, bijvoorbeeld de legitimiteit betwist kan worden van de claim van Canadezen op de Noordelijke gebieden, van de Brazilianen op het Amazonewoud, van de Russen op de Siberische steppen, van de Chinezen op de Gobi-woestijn, van de Denen op Groenland, van wie-dan-ook op de maan, de poolkappen, enzovoorts. | |
| Onze Hugo de Groot heeft ook de immuniteit van de zee voor elke claim van welk volk dan ook vastgesteld. Dit zou naar zulke gebieden moeten worden uitgebreid. | |
| Wat het verschil is tussen actueel gebruik en roofbouw zullen wij afzonderlijk uitwerken. |
Om te kunnen handelen moeten de wil en de macht van de natie hun werk kunnen doen. De wil komt tot uiting in de wetgeving en de macht in de uitvoering. De regering heeft tot taak om tussen wetgeving en uitvoering te bemiddelen. De wijze waarop de regering vormgegeven wordt hangt volgens Rousseau samen met de grootte van het volk. Hoe groter het volk, hoe meer kans op misbruik, dus hoe krachtiger de organen moeten zijn die misbruik voorkomen.
Een regering moet, om te functioneren een eigen wil en macht krijgen. De regering heeft daarom een eigen bestaan met vertegenwoordigers, raden, privileges en rechten die de bestuurder meer eer geven naarmate hij meer verantwoordelijkheid draagt. De moeilijkheid daarbij is, dat zij zo moet functioneren dat zij altijd bereid is om de regering te offeren aan het volk en nooit om het volk te offeren aan te regering.
De bestuurder laat zich leiden door drie wezenlijk verschillende motieven:
- de persoonlijke wil
- de gezamenlijke wil van alle bestuurders, kortweg regeringswil
- de volkswil
In het ideale geval van wetgeving is de persoonlijke wil afwezig; de regeringswil ondergeschikt en de volkswil zou de boventoon moeten hebben. Echter de natuur maakt de meest geconcentreerde wil het sterkst, zodat de volkswil altijd het zwakst wordt, dan de regeringswil en het krachtigst manifesteert zich de persoonlijke wil. De bestuurder heeft zijn motieven dus tegengesteld geordend dan wat het maatschappelijke belang vereist.
Dit toegegeven, moet ook gezien worden dat als de regering zou bestaan uit een enkele persoon, de regeringswil maximaal in die persoon aanwezig is. Zou de regering bestaan uit het volk, dan zou de volkswil maximaal tot uiting komen, maar de regeringswil, en daarmee de ontplooide activiteit zou minimaal zijn. Hoe meer bestuurders er zijn, hoe meer de regeringswil overeen zal stemmen met de volkswil.
Aangezien de volksmacht die door de regering wordt uitgeoefend niet beïnvloedbaar is, zal de macht van de individuele bestuurder afnemen naarmate er meer bestuurders zijn. Daarmee zal ook de besluitvaardigheid van de regering afnemen.
waar het aantal bestuurders groter is dan het aantal burgers. In het algemeen is dit geschikt voor kleine landen. Mensen zijn in de praktijk echter nauwelijks in staat om voortdurend over alles te stemmen en ordelijk te beraadslagen. Rousseau ziet democratie, zoals hij hier gedefinieerd heeft, dus niet zitten.
waar het aantal bestuurders kleiner is dan het aantal burgers. Dit is meer geschikt voor middelgrote landen. Volgens Rousseau werden de eerste gemeenschappen aristocratisch bestuurd, hij denk daarbij aan een raad van familiehoofden. Later werden het raden van gekozen wijze mensen. Tenslotte werden het belangrijke families die de raden bemanden en was er een erfelijke aristocratie.
Het zou het beste en het meest natuurlijke zijn, als de wijzen de massa zouden regeren. Door verkiezing van bestuurders uit wijze mensen is dus te prefereren.
| Dit sluit mooi aan bij de meritocratische principes van de SAM-partij. Bedacht moet worden dat elke moderne westerse 'democratie' volgens Rousseau's definities hier in feite een aristocratie is. |
waar het bestuur in handen ligt van een enkel persoon. Dit is het meest geschikt voor grote landen. De persoonlijke belangen van de bestuurder prevaleren echter te veel. Het principe dat een goed koning zich geliefd moet maken bij het volk. Maar de liefde van het volk is moeilijk te behouden gaat gepaard met vele voorwaarden.
Theoretici zullen stellen dat een rijk volk een machtige koning heeft, omdat de volksmacht gelijk is aan hun macht. Maar het persoonlijke belang van de koning is dat zijn volk arm en ellendig is, omdat ze dan niet in staat zijn zich tegen hem te verzetten.
Een ander probleem is dat de koning vaak een ongelukkige hand zal hebben in de keuze van de ambtenaren, omdat hij geneigd is de opscheppers te kiezen, de toneelspelers en de vleiers. Een competent iemand aan het hof vinden, is even lastig als een dwaas in een gekozen bestuur.
| Het is opmerkelijk dat nazisten en fascisten deze
beschuldiging juist in de schoenen schuiven van de parlementaire democratie.
Volgens hen zouden daar alleen de grootste schreeuwers bovendrijven. Cynisch
genoeg bevestigden Mussolini en Hitler deze stelling door als grootste
schreeuwer in een democratie aan de macht te raken, om vervolgens hun land
te gronde te richten. De SAM-partij is daarom voorstander van een extra barrière die moet voorkomen dat dwazen in het bestuur worden benoemd, waarbij democratie wordt gehandhaafd. | |
| Wij zien ook tegenwoordig in de wereld, dat de regering van een groot rijk snel in handen wordt gelegd van een kleine groep personen (Verenigde Staten, Rusland, China). Wie Rousseau's stellingen hier aanvaardt, zal erkennen dat dit voor Nederland geen aanleiding is om te kopiëren. Bovendien is duidelijk dat hoe groter een rijk is, hoe minder democratisch het eraan toe zal gaan. |
In het begin had men geen koningen, behalve de goden en geen regering, behalve theocratie. Als God aan het hoofd werd gesteld van elk volk, dan is het logisch dat twee vijandige volkeren niet dezelfde meester konden erkennen. Nationale onafhankelijkheid betekende dus polytheïsme.
Er was dus geen verschil tussen godsdienstoorlogen en nationale oorlogen. Een volk dat onderworpen werd, werd gedwongen om de godsdienst van de overheersers over te nemen. Dat ook de Joden er zo over dachten, toont Rousseau aan met het volgende citaat uit Rechteren 11-24: waar het Joodse staatshoofd Jephta het volgende tegen de Ammonieten zegt: "Jahwe, de God van Israël heeft de Amorieten voor zijn volk Israël verjaagd, en nu zoudt U Israël willen verjagen? U bezit het land dat uw God Kemos u in bezit heeft gegeven. Zo bezitten wij het land dat Jahwe, onze God, ons gegeven heeft."
In het Grieks-Romeinse Rijk was er een systeem waarin de onderworpen volkeren hun eigen goden mochten houden, maar wel eer moesten bewijzen aan Zeus/Jupiter. Het Christendom, dat een geestelijk koninkrijk wilde vestigen, maakte een scheiding van theologie en politiek mogelijk. Dit leidde tot een dubbel burgerschap: De Christen was burger van het Romeinse Rijk en hij was burger van de Roomse kerk. Een dergelijke situatie is een grote hinderpaal bij het goed functioneren van de staat.
Ondanks pogingen om kerk en staat te verenigen, onttrekt de kerk zich steeds aan de volkswil. Ook bij de Islam zien we de verwarrende gelijktijdige wetgevende activiteit van kerk en staat, met alle kwalijke gevolgen van dien. In Engeland heeft de koning zichzelf tot hoofd van de kerk gemaakt en in Rusland de tsaar. In beide landen lukt het daarmee niet om de wetgeving in handen te krijgen Het staatshoofd wordt er gewoon een uitvoerende macht van de kerk.
Als tussenconclusie moeten wij stellen: - zonder godsdienst bestaat er geen staat; - de Christelijke godsdienst verzwakt de staat. In schema kunnen wij de verhouding godsdienst - staat als volgt weergeven:
| Godsdienst | Algemeen | Burgers van de kerk | rituele en dogmatische geloofsinhoud |
| Bijzonder | Individuen | persoonlijke geloofsinhoud | |
| Staat | Algemeen | Burgers van de staat | sociale overtuigingen |
Om te voorkomen dat mensen zowel burgers van de staat als van de kerk zijn en zo tegenstrijdige wetten moeten volgen, zou de godsdienst moeten ophouden zijn gelovigen tot burgers te maken. Dit laat dus ruimte voor een persoonlijke geloofsinhoud.
| De afgelopen eeuwen hebben de christelijke kerken een proces van secularisatie doorgemaakt, waarbij de persoonlijke geloofsinhoud werd benadrukt en het streven om de wetgeving te bepalen werd opgegeven. Pim Fortuyn wijst er terecht op dat de Islamieten dit secularisatieproces niet hebben doorgemaakt, waardoor de burgerlijke normen en waarden worden bedreigd. |
De natie heeft niet meer rechten over de onderdanen dan het algemeen belang vereist. "Ieder moet vrij zijn in wat anderen geen schade toebrengt" De onderdanen zijn slechts verplicht om hun mening te geven, voor zover deze voor de gemeenschap relevant zijn. Welnu: het is zeer belangrijk voor de gemeenschap dat elke onderdaan een religie heeft, omdat dit de mens liefde geeft voor zijn plichten. De leerstellingen van de godsdienst gaan de overheid aan, voor zover deze betrekking hebben op gedragsvoorschriften.
De volkswil dient derhalve een pure 'burgergodsdienst' te formuleren, waarvan de dogma's niet zozeer religieus zijn, maar sociale gevoelens voorschrijven zonder welke de mens geen goed burger kan zijn of een trouw onderdaan.
De leerstellingen van een 'burgergodsdienst' hebben betrekking op:
| Het bestaan van een machtige, intelligente en goedaardige goddelijkheid, die zorgzame voorzienigheid kent; | |
| Het komende leven; | |
| Dat rechtvaardigen gelukkig zijn; | |
| Dat misdagers gestraft worden; | |
| De heiligheid van de volkswil en de wetten die deze weergeven; | |
| De verwerpelijkheid van intolerantie. |
| De afgelopen eeuwen gaven een enorme opkomst te zien van atheïsme en agnosticisme. Rousseau zal voorvoeld hebben, dat dit ook implicaties zou krijgen voor de burgerzin. De SAM-partij meent wel dat het formuleren van dogma's van een 'burgergodsdienst' een goed idee is, waarbij aanvaardbaarheid voor zowel atheïsten als religieuzen een criterium moet zijn. |
Er bestaat volgens Rousseau geen verschil tussen godsdienstige en burgerlijke
onverdraagzaamheid.
argument: Je kunt niet als burger van de staat mensen liefhebben, terwijl je
meent dat God diezelfde mensen haat en ze straft. Godsdienstige
onverdraagzaamheid heeft onvermijdelijk een civiel gevolg.
De staat moet godsdiensten tolereren die andere godsiensten tolereren en geen leerstellingen hebben die strijdig zijn met de plichten van het burgerschap.
| De intolerantie van de Islam is in dit verband een bron van zorg. De overheid mag en kan dat niet accepteren. |
Een Engelstalige tekst: http://www.constitution.org/jjr/socon.htm
Een vergelijkend schema, gebruikt bij colleges van de Universiteit van
Maastricht: http://www.rechten.unimaas.nl/metajuridica/Colleges
Metajuridica 2001/College 2/Hobbes-Locke-Rousseau.htm